Luang Prabang ligt alweer een tijdje achter ons, en ook de hoofdstad Vientiane zijn we ondertussen voorbij. Over Vientiane valt niet veel te zeggen, er is weinig echt bezienswaardig.
We zijn ondertussen al enkele dagen aan het verder trekken met een Franse familie die we in het noorden van Thailand leerden kennen en die ongeveer dezelfde route als ons volgen en Céline, een Zwitserse vrouw. Al tijdens het voorbereiden van onze reis hadden we de Kong Lor grot op onze route gezet. Een spectaculaire, maar afgelegen grot in centraal Laos. Ook de Fransen wilden die kant uit, dus wij met de hele troep om zes uur 's morgens in Vientiane de bus op richting Ban Nahin, een onooglijk dorpje in de buurt van de grot. En zoals het hoort in Laos staan we na een uurtje met pech langs de kant van de weg.
Omdat deze plek niet op de klassieke toeristische route ligt is het aanbod aan guesthouses heel beperkt. We kunnen kiezen tussen een drietal, variërend tussen: muf en vochtig, geen douche enkel een ton water in de badkamer of de open lucht. We gaan voor wat muf en vochtig, maar met warme douche. Een goede keuze dachten we, maar in Laos verkoopt de overheid liever wat elektriciteit aan de buurlanden dan het op het eigen net te steken, dus twee dagen geen elektriciteit én water, want om één of andere reden komen en gaan beiden samen. Het guesthouse ligt langs "route 8" die tot Vietnam loopt. Iedere dag rijden hier enkele vrachtwagens gevuld met Thaise straathonden voorbij, ze verdwijnen in Vietnam in de pot.
De uitbaatster van het guesthouse brengt ons met veel plezier en mits betaling van de nodige Kip (munteenheid Laos, niet het lekkere beestje) naar de ingang van de grot. Een zwart gat in een bijna verticale wand van enkele honderden meters waarin een rivier verdwijnt om er zeven kilometer verder terug uit te stromen. Omdat de tocht in volledige duisternis verloopt zit in ieder bootje vooraan een navigator die de stuurman achteraan helpt. Met enkel een zaklamp op het hoofd van de twee Laotianen varen we de grot in. Een uur lang varen we in volstrekte duisternis tegen een redelijk hoge snelheid door een wirwar van galerijen die soms tientallen meters hoog en breed zijn.
Na een uurtje is er licht aan het eind van de tunnel, en na een tiental minuten pauze keren we opnieuw terug. Blijkbaar lang genoeg voor de navigator van de boot waar ik met Cel en de Franse Mateo inzitten om opium of een andere drug tot zich te nemen. De man zit de hele terugtocht volledig weg van de wereld voor zich uit te staren. Hij reageert niet en laat zijn hoofdlamp gedoofd. Met één schamel licht van de stuurman en wat schrik varen we 7 donkere kilometer terug. In Laos lopen de dingen altijd anders dan je verwacht.
1 opmerking:
Waarom mondmaskers? Is het erger dan Aalst?
Een reactie posten