zondag 9 januari 2011

Vietnam:

Enkele mensen zeiden ons voor vertrek, vaak met een nogal veelbetekenende blik, dat ze benieuwd waren wat we van Vietnam zouden vinden. Wel... tijdens vier weken Vietnam zijn we een keer of vier serieus over ons kookpunt gegaan. 2 kleine voorbeelden...

De cyclo-run:
Omdat we voor de eindejaarsperiode acht nachten geboekt hebben krijgen we van ons hotel in Hanoi een rondrit met een cyclo cadeau. Een cyclo is een fietstaxi waar een arme stakker met maximum twee passagiers rondjes door het oude stadscentrum mee trapt. Iets wat we normaal niet meteen zouden doen, maar een gegeven paard... nietwaar. Zo kruipen we op een morgen met z'n vieren in twee cyclo's. De heren pedaleren ons vrolijk door het oude stadscentrum. Na een kwartiertje stoppen ze aan een oude kerk en vragen of we niet even enkele foto's willen nemen van het fraaie monument. Allemaal goed voor ons, we stappen uit en wandelen enkele minuten op het plein voor de kerk. Plots wijst Cel naar een cyclodriver die verdacht veel op één van de onze lijkt. Hij fietst aan een gezwind tempo met twee toeristen in z'n bakje weg van de kerk. De man heeft ondertussen al vijftig meter voorsprong, maar met de adrenaline van een plotse opstoot van kwaadheid spurt ik achter het vehikel aan. Hij houdt er een goed tempo op na, maar heeft duidelijk geen rekening gehouden met de pure genetische ongelijkheid tussen Vietnamese en Belgische beentjes. Na een stevig spurt van zo'n vijfhonderd meter, waar ik hem bij momenten bijna moet lossen, geef ik de man een tik op z'n schouder. Hij schrikt zich een hoedje en is redelijk van z' n melk. Aziaten vinden het vreselijk om in verlegenheid gebracht worden. Ik verzoek het Amerikaans koppel in z'n bakje vriendelijk om het voertuig te verlaten en nestel me al hijgend languit in de zetel, we pikken Katleen en de kinderen en de achtergebleven cyclo terug op en de man trapt zonder morren z'n uurtje rond.



Bergtransport:
Tijdens ons verblijf in Sapa in het bergachtige noorden van Vietnam willen we naar een dorpje van de Red Dao bevolking, een tochtje van amper twaalf kilometer. We willen geen dure gids met bijhorend minibusje, dus lopen we naar het centrum op zoek naar openbaar vervoer. Op het centrale plein staan enkele kleine busjes klaar. Na wat rondvragen wijst iemand ons een busje aan. We lopen naar het kleine loket voor een ticket. De verkoper zegt ons dat het niet zal gaan, geeft geen verdere uitleg en roept naar de motortaxi's die wat verder klaar staan. Enkele heren komen daarop hun veel te dure diensten aanbieden. We wimpelen hen af en lopen naar het busje, maar niemand wil nog enige uitleg geven en we mogen niet aan boord, het busje vertrekt even later voor onze neus. Zoals we al eerder in Vietnam meegemaakt hebben zijn er hier duidelijke afspraken wie met de centen van de toeristen mag gaan lopen. Een soort apartheidsregime voor toeristen. In vier maanden hebben we dit nog nooit meegemaakt, we mogen gewoon niet op de lokale bus. We gaan wat verder op een trapje zitten en wachten onze kans af, als tien minuten later een volgende busje aankomt spreekt Katleen de chauffeur rechtstreeks aan, de man wil ons wel meenemen. Zelfvoldaan zwaaien we vanuit het busje naar de groep motortaxi's.
We komen aan in het dorpje, waar je als bijdrage aan de lokale bevolking een kleine entree moet betalen. De buschauffeur stopt enkele meters achter het bordje waar de vijftienduizend dong inkom opstaat. Hij denkt dat we van gisteren zijn en vraagt vier maal vijfentwintigduizend dong. Een mens wordt er stilletjesaan doodmoe van, maar we stappen uit en kopen het ticket zelf. De chauffeur komt mee naar het loket en probeert de loketbediende in het Vietnamees te overtuigen om ons alsnog extra aan te rekenen. Ik blijf mijn hand uitsteken tot we de laatste dong teruggekregen hebben.
We bezoeken het uiterst charmante dorpje, waar ook de traditionele bergbevolking opvallend veel interesse heeft in onze dollars. Twee uur later lopen we naar de plek waar het busje ons terug zou oppikken. Ons busje komt aangereden en als we willen instappen worden we door een vijftal mannen en vrouwen fysiek gehinderd om aan boord te gaan. Blijkbaar is het gerucht van de vier toeristen op het lokale busje ook tot bij hen geraakt. Tussen het getrek en geduw wringen we ons aan boord. Ook Cel levert een heldhaftig gevecht om zich met behoorlijk wat duwwerk aan boord te heisen. We sluiten de deur, maar de groep laat de chauffeur niet vertrekken. Rond het busje wordt de sfeer alsmaar grimmiger. Het wordt ons te heet onder de voeten en Roos opent door het smalle raam de schuifdeur. We stappen snel uit en lopen weg. Een klein probleem, want Sapa ligt op 12 kilometer over berg en dal, we riskeren in het donker te moeten stappen en onze slaaptrein te missen. Omdat we niet echt een alternatief hebben houden we een goede tred aan. Na een halfuurtje lopen duikt plots ons busje terug op. Met een angstig gezicht en een gezwollen oog pikt de man ons op en rijdt aan een rotvaart terug. Hij kijk constant angstig in z'n achteruitkijkspiegel. Als we in Sapa aankomen geef ik hem het afgesproken bedrag. Hij wil het niet aanvaarden en vraagt plotseling heel wat meer. Opnieuw ontspint er zich een redelijke grote discussie waar zoals altijd in Vietnam allerlei mannetjes zich mee komen moeien, altijd in het voordeel van hun collega. Ook hier dreigt het weer lelijk uit de hand te lopen. Roos heeft het ondertussen echt wel gehad en begint te wenen. Met geweldig veel tegenzin betalen we uiteindelijk.



Vietnam is een makkelijk land om in rond te reizen, vooral als je de geplaveide wegen volgt. Wijk je als toerist hier van af krijg je al snel te maken met het taaie karakter van de Vietnamezen. Na het ontspannen in Thailand, en vooral Laos en Cambodja was Vietnam een stukje stresserender. Heel vaak moet je erg alert zijn om niet beduveld te worden. Het gaat soms om kleine bedragen, die op een reis van enkele weken ook weinig verschil zullen uitmaken, maar als je een halfjaar rondreist zijn je zintuigen wat scherper afgesteld. Zo gingen we op kerstavond iets drinken, we betaalden iets meer dan een halve euro voor een pintje van 't vat, niet zo veel zou je denken, maar na wat rondvragen bijna drie keer zo veel als de Vietnamese buren. Discussiëren heeft weinig zin, de arme man die ons de prijs van zijn pintje wist te melden kreeg geweldig over z'n donder van het personeel waarna de halve zaak de geweldig complexe prijszetting van het etablisement begint te verdedigen. Waar Laotianen en Cambodjanen bij een discussie snel inbinden vormen Vietnamezen verbazend makkelijk een front.

1 opmerking:

Luc en Hilde, Charlotte, Karolien en Jan zei

Laat jullie daar maar niet van jullie stuk brengen. Zeg hen maar dat de Belgen van discussiëren een handje weg hebben. We zijn niet voor niets het land met de langst durende regeringsvorming ooit :)

Gr
Hilde en Luc
Charlotte, Karolien en Jan